Sector
  • Vmbo bovenbouw
Vakgebied
  • Techniek N&T
Leerplankundig thema
  • Examenprogramma
  • Handreiking
  • Schoolexamen

Rol van docent en externen

2-9-2016

De houding van de docent en andere (interne en externe) begeleiders

Van de docent en andere (interne en externe) begeleiders van de T&T-leerling wordt verwacht dat zij de leerling begeleiden in het proces naar toenemende zelfstandigheid en competentiebeheersing. Van hen mag verwacht worden dan zij kunnen schakelen tussen verschillende rollen. De coachende rol van de docent/begeleider speelt in de begeleiding van de T&T-leerling een belangrijke rol. Een coachende rol veronderstelt gefaseerd en tijdig afstand nemen van de leerling. Het betekent ruimte laten voor de eigen ontwikkeling inclusief het maken van fouten. Van de T&T-leerling verwachten we een onderzoekende, ontwerpende en ondernemende houding; dat wordt ook van de docent/begeleider verwacht. De leerling kan zich pas echt ontwikkelen als de houding van de docent daarop is afgestemd.

Rollen van de docent in het T&T-programma

We onderscheiden de volgende rollen van de docent:

  1. de docent als ontwerper van het onderwijs;
  2. de docent als instructeur; hij biedt de leerling de nodige structuur;
  3. de docent als begeleider van het leerproces;
  4. de docent beheerst 'goed leermeesterschap';
  5. de docent als beoordelaar van de opbrengst van het leerproces.

1.     De docent als ontwerper van het onderwijs

Het ontwerpen van onderwijs wordt in het T&T-programma veelal in samenwerking met externe partijen gedaan. Dat vereist specifieke competenties van de docent. Het ontwerpen van onderwijs kunnen we vertalen naar de volgende fases:

  • de netwerkfunctie: contact leggen en onderhouden met externe opdrachtgevers;
  • kritische gespreksvoering: het definiëren van het probleem dat een bedrijf of maatschappelijke instelling voor wenst te leggen aan de leerlingen;
  • opdracht schrijven: de vertaling van het probleem naar een helder gestructureerde opdracht voor de leerlingen. Opdrachten die bijdragen aan de gestelde eisen in het examenprogramma.

2.      De docent als instructeur in het leerproces

De instructiefunctie van de docent is in het T&T-programma minder gericht op traditioneel instrueren in de zin van kennisoverdracht. Het betreft hier vooral het effectief en efficiënt sturen van de leerlingen die werken aan contextrijke (bètawerelden) opdrachten.
Voorbeeld van een instructie van de docent. Hij spreekt duidelijk zijn verwachting uit bij de aanvang van de opdracht / het project. Hiermee creëert de docent een kader op basis waarvan het gesprek kan worden aangegaan met de kandidaten die begeleiding nodig hebben bij het maken van afspraken. 

3.     De docent als begeleider van het leerproces

Begeleiding bij de uitvoering, beoordeling en oplevering van opdrachten

De docent treedt op als coach/begeleider en beoordelaar, niet in eerste instantie als instructeur of als informatiebron. Hij 'beoordeelt' regelmatig de voortgang van kennis, vaardigheden en houdingen en bespreekt deze ontwikkelingen met de leerling. In plaats van antwoorden te geven, stelt hij de juiste vragen bij elk werkproces. De gewenste gedragskenmerken die in het examenprogramma zijn opgenomen, zijn daarin leidend.
Door het didactisch handelen, stelt de docent de leerling in de gelegenheid om de sturing van zijn leer- en ontwikkeltaken geleidelijk over te nemen. De docent wordt steeds minder sturend, treedt op als kritische begeleider en stelt op het juiste moment de juiste vragen.
De begeleiding naar een geleidelijk steeds zelfstandiger functionerende leerling kan op verschillende manieren: door de taak geleidelijk moeilijker te maken tot op het punt dat ze het niet meer alleen aan kunnen of door het herformuleren van de taak zodat steeds meer verwacht wordt van de lerende. De docent biedt handreikingen (waarbij de regierol steeds meer wordt overgedragen aan de leerling) en stelt vragen aan de leerlingen om het leerproces richting te geven in zijn coachende rol.
Het is een geleidelijk proces dat de leerling voorbereidt op zijn overstap naar het middelbaar beroepsonderwijs of naar het havo.

4.     De docent als leermeester

Een leermeester is een persoon die zijn vakkennis of expertise overdraagt aan zijn leerlingen. De leermeester is iemand van de 'werkvloer'; hij is bekend met de (actuele) technologische ontwikkelingen en de toepassing daarvan. De leermeester past daarnaast didactische vaardigheden toe waardoor het leerproces van de leerling effectief verloopt. Met name aan de kennis en de toepassing van  technologische ontwikkelingen worden hoge eisen gesteld. Dat geldt eveneens voor zijn deskundigheid op het gebied van de begeleiding van individuele leerlingen in de (beroeps)praktijk, het begeleiden van groepsprocessen en het plegen van effectieve interventies. Ontwikkelingsgericht begeleiden vraagt een specifieke houding die verwoord is in het type vragen dat de docent stelt.

5.     De docent als beoordelaar van de opbrengst van het leerproces

Onder opbrengst verstaan we hier de kwaliteit van de opgeleverde producten, de kwaliteit van de loopbaanoriëntatie en de mate van competentiebeheersing door de individuele leerlingen aan het eind van zijn T&T-opleiding in de vmbo-tl /gl.
Het programma is opgesplitst in twee leer-en ontwikkellijnen met in totaal zes werkprocessen. Zoals bij ieder vak is het ook bij Technologie en Toepassing van belang regelmatig te meten hoe de leerling er voor staat op weg naar het examenniveau.
De beoordeling van de leerling in het examenprogramma T&T wijkt in twee opzichten af van de gangbare beoordeling in het voortgezet onderwijs. Ten eerste werken de leerlingen regelmatig samen in groepen aan (bedrijfs)opdrachten. Deze groepen variëren van twee tot vier personen. Producten die het resultaat zijn van een gezamenlijke inspanning zullen dan ook als groepsresultaat worden beoordeeld (in deze handreiking bijvoorbeeld met een wegingsfactor van 40% in de summatieve examenbeoordeling).
Ten tweede wordt de leerling niet alleen beoordeeld op grond van zijn cognitieve kennis, maar gaat het ook om het beoordelen van de ontwikkeling van zijn competenties. Het gaat daarbij om het meten van toepassingsvaardigheden. Die ontwikkeling wordt in beeld gebracht door de werkprocessen die de leerling uitvoert en het gedrag dat daarbij wordt vertoond. Competenties kunnen onder andere beoordeeld worden door leerlingen een performance assessment te laten doen: leerlingen laten zien dat ze hun verworven bekwaamheid ook in nieuwe situaties kunnen toepassen. Dat kan door ze te observeren in werkelijke beroepssituaties, door ze een proeve van bekwaamheid te laten afleggen of door ze een simulatietest te laten doen. Welke vorm ook gekozen wordt, het is van belang dat de toets meet wat je wilt weten en dat het gemeten resultaat intersubjectief is.
De docent zal bij het beoordelen van die vaardigheden behoefte hebben aan een instrument dat de kwaliteit van de vaardigheden meet, op een zodanige manier dat de uitkomsten een zo groot mogelijke mate van geldigheid hebben. Een oplossing kan gezocht worden in rubrics. De wegingsfactor van deze (proces)beoordeling  kan dan bijvoorbeeld 60% zijn. Beide wegingsfactoren bepalen het eindcijfer van het vak Technologie en Toepassing.