​​
Sector
  • Havo bovenbouw
  • Vwo bovenbouw
Vakgebied
  • Maatschappijwetenschappen
Leerplankundig thema
  • Schoolexamen
  • Handreiking
  • Examenprogramma
  • PTA

Contexten

26-1-2016

​​​​Contexten zijn concrete maatschappelijke thema's, problematieken en processen, die leerlingen zicht bieden op de werkelijkheid en waar de concepten op toegepast kunnen worden. Omdat de contexten van maatschappijwetenschappen een eindeloze reeks van maatschappelijke thema's vormen, is een aantal criteria geformuleerd (Schnabel, 2009) waaraan de contexten moeten voldoen:

  • Contexten slaan bruggen tussen werkelijkheid en concepten.
  • Contexten leggen verbindingen tussen concepten.
  • Contexten bieden een mogelijkheid om een deel van de maatschappelijke werkelijkheid te analyseren.
  • Contexten moeten voldoende actuele leerstof bieden om te kunnen analyseren.
  • Contexten bieden mogelijkheden om zowel sociologische als politicologische kernconcepten te verhelderen.
  • Contexten lenen zich om de tijd- en plaatsdimensie te analyseren.
  • Contexten moeten praktisch hanteerbaar zijn en concrete handreikingen bieden.

Contexten zijn te herleiden tot een aantal categorieën:

  1. actuele gebeurtenis (domein G en domein F);
  2. instituties (samenlevingsvormen, kiesstelsel);
  3. beleidsterreinen (integratiebeleid, veiligheidsbeleid);
  4. algemene maatschappelijke verschijnselen (consumptiemaatschappij, populisme);
  5. maatschappelijke veranderingsprocessen (het ontstaan van de moderne westerse samenleving, globalisering van de maatschappij en politiek, multiculturele samenleving).

De categorieën kunnen beschouwd worden als oplopend van concreet naar abstract, waarbij de categorieën 4 en 5 mogelijk meer geschikt zijn voor het vwo-examenprogramma, omdat leerlingen daarbij meer over een helikopterview moeten beschikken waarmee naar de samenleving gekeken wordt en meer theorieën moeten beheersen die gaan over de kernconcepten.

Het feit dat in het nieuwe examenprogramma concepten moeten kunnen worden toegepast op de contexten levert een andere invulling van de eindtermen op. Daarin zijn zo veel mogelijk al verbanden gelegd met de concepten.

Een voorbeeld.

Domein E Verandering, eindterm 18 (havoprogramma):

De kandidaat kan beschrijven hoe rationalisering, individualisering en institutionalisering worden beschouwd als typerend voor de ontwikkeling van westerse samenlevingen van traditioneel naar modern.

Dit heeft tevens gevolgen voor de vragen die gesteld gaan worden op een schoolexamen en de opgaven voor het centraal examen. Er zal meer nadruk komen te liggen op de hogere denkvaardigheden en er zullen meer vragen gaan over het conceptueel kader, over de 23 kernconcepten en de verbanden ertussen.

Belangrijk verschil tussen het centraal examen en het schoolexamen is dat de contexten voor het centraal examen voorgeschreven zijn en dat die voor het schoolexamen niet voorgeschreven zijn. Verder zijn de domeinen F en G (over de sociale en politieke actualiteit) in te vullen door de docent en de leerling (in samenspraak met de docent).