Sector
  • Vmbo bovenbouw
Vakgebied
  • Maatschappijkunde
Leerplankundig thema
  • Handreiking
  • Schoolexamen
  • Examenprogramma

PO: Wat doe je in je vrije tijd

25-5-2016

Korte omschrijving

Wat doe je in je vrije tijd: bijbaantje, vakantiewerk of vrijwilligerswerk?  In deze opdracht maken leerlingen in drietallen een poster en lichten die mondeling toe. Eerst inventariseren ze welk werk de leerlingen zelf in hun vrije tijd verrichten en hun motieven om dat te doen. Vervolgens verzamelen zij op internet informatie over werk voor scholieren (bijbaantjes of vakantiewerk) en vrijwilligerswerk voor jongeren. Daarbij verzamelen zij ook gegevens over rechten en plichten die gelden voor scholieren die werken.

Daarna wordt een bijbaantje of vrijwilligerswerk gekozen, dat door één van de groepsleden gedaan wordt. (Daarmee moet rekening worden gehouden bij het samenstellen van de drietallen; in ieder geval één leerling moet ervaring hebben met een baantje of vrijwilligerswerk.) Hiervan wordt door de groep een collage of poster gemaakt: Wat houdt het werk in? Welke regels gelden er op het werk? Hoeveel salaris krijg je? Ten slotte wordt een presentatie van 10 minuten voor de klas voorbereid. Na afloop wordt besproken wat de leerlingen zelf goed, minder goed of moeilijk vonden en wat ze de volgende keer anders of beter zouden doen.

Constructie van opdracht en beoordelingsmodel

Bedenk vooraf goed wat het doel van de opdracht is en stem daar de opdracht en het beoordelingsmodel op af. Wat is in de opdracht en het beoordelingsmodel de verhouding tussen algemene (21e-eeuwse) vaardigheden (bijvoorbeeld samenwerken, zie ook preambule examenprogramma maatschappijkunde), vakinhoud (MK/K/5: Mens en werk) en vakvaardigheden (MK/K/3: Informatie verzamelen en verwerken op basis van vakinhoudelijke kennis)? Bepaalt de vakinhoud 90% van het cijfer of vindt u algemene en vakvaardigheden veel belangrijker? Verwerk de leerdoelen in de opdracht en laat ze terugkomen in het antwoordmodel.

Mogelijke leerdoelen Aandachtspunten
De leerlingen kunnen goed samenwerken.
De leerlingen weten wat de rechten en plichten van werknemers zijn. En welke verschillen er zijn tussen de rechten en plichten van volwassen werknemers en die van jongeren die een bijbaan hebben.
  • Neem in de opdracht op dat deze rechten en plichten, en de verschillen tussen volwassen en minderjarige werknemers onderdeel moet uitmaken van de poster.
  • Maak een beoordelingsmodel waarin u aangeeft welke rechten, plichten en verschillen genoemd moeten worden.
Leerlingen kunnen een mooie en aansprekende poster maken.
  • Maak in de opdracht (en de beoordelingscriteria) duidelijk wat u met een mooie en aansprekende poster bedoelt.
De poster geeft een goed beeld van de bijbaan of het vrijwilligerswerk.
  • Maak in de opdracht duidelijk welke vragen op de poster beantwoord moeten worden om te kunnen spreken van een goed beeld. Bijvoorbeeld: Hoeveel uur per week? Status? Salaris? Bedrijfscultuur?