Sector
  • Havo bovenbouw
  • Vwo bovenbouw
Vakgebied
  • Informatica
Leerplankundig thema
  • Schoolexamen
  • Handreiking

Voorbeeldspecificaties Domein A

3-8-2018
​​​​​​​​A1: Ontwerpen en ontwikkelen
De kandidaat kan:
  • in een context mogelijkheden zien voor het inzetten van digitale artefacten;
  • deze mogelijkheden vertalen tot een doelstelling voor ontwerp en ontwikkeling, daarbij technische factoren, omgevingsfactoren en menselijke factoren betrekken;
    • In havo kan de doelstelling van het digitale artefact gegeven zijn.
  • wensen en eisen specificeren en deze op haalbaarheid toetsen;
  • een digitaal artefact ontwerpen;
    • Een ontwerpmethodiek wordt niet gesuggereerd.
  • bij het ontwerp van een digitaal artefact keuzes afwegen via onderzoeken en experimenteren;
  • een digitaal artefact implementeren;
    • Implementatie hoeft niet van scratch plaats te vinden; samenstelling van bestaande componenten tot een digitaal artefact wordt eveneens tot deze eindterm gerekend.
  • de kwaliteit van digitale artefacten evalueren;
    • Het gestructureerd testen van een digitaal artefact aan de hand van een testplan wordt hier niet bedoeld.
en deze vaardigheden in samenhang inzetten voor het ontwikkelen van digitale artefacten.

 
​A2: Informatica hanteren als perspectief
De kandidaat kan in contexten:
  • verschijnselen duiden, uitleggen en verklaren in termen van informatica;
  • informaticaconcepten herkennen en met elkaar in verband brengen;
  • mogelijkheden en beperkingen van digitale artefacten inschatten en beredeneren in vaktermen.
A3: Samenwerken en interdisciplinariteit
De kandidaat kan:
  • bij het ontwerpen en ontwikkelen van digitale artefacten op een gestructureerde wijze samenwerken in een team;
    • Hij kan één zo'n gestructureerde werkwijze hanteren. Meer werkwijzen zijn niet noodzakelijk.
    • Hij kan samenwerken met teamleden die zich een specialisme eigen gemaakt hebben. In de schoolsituatie kunnen dat teamleden zijn die een verdiepend keuzethema gevolgd hebben.
  • samenwerken met mensen afkomstig uit een toepassingsgebied.
A4: Ethisch handelen
De kandidaat kan:
  • beschrijven welke ethische normen en waarden een rol spelen bij het gebruik en de ontwikkeling van digitale artefacten;
  • het eigen handelen expliciet vergelijken met ethische richtlijnen;
  • (vwo:) het eigen handelen kritisch analyseren en relateren aan ethische dilemma's.
A5: Informatica-instrumentarium hanteren
De kandidaat kan:
  • voor de informatica relevante gereedschappen hanteren, waar nodig met aandacht voor risico's en veiligheid. Daarbij gaat het om (computer)apparatuur, besturingssystemen, applicaties, vaktaal, vakconventies en formalismen.
    • Gedetailleerde kennis van (gebruik en beheer van) computerapparatuur en besturingssystemen wordt niet voorgesteld. Het gaat er om dit informatica-instrumentarium te kunnen gebruiken bij uitvoering van opdrachten die deel uit maken van een schoolleerplan.
    • Van welk niveau formalismen gehanteerd moeten worden, hangt af van welke keuzedomeinen een kandidaat kiest. Een generiek niveau voor het gebruik van formalismen wordt niet voorgesteld.
A6: Werken in contexten
De kandidaat kan:
  • vaardigheden en concepten gebruiken in contexten.
    • Contexten kunnen afkomstig zijn uit beroepen en uit de samenleving.
    • Voor vwo-kandidaten zijn contexten uit wetenschap eveneens geschikt.