Sector
  • Vmbo bovenbouw
Vakgebied
  • Geschiedenis
Leerplankundig thema
  • Handreiking
  • Examenprogramma
  • Schoolexamen

Wat maakt een opdracht moeilijk?

13-7-2015

De moeilijkheidsgraad van opdrachten wordt door een groot aantal factoren bepaald. De technieken die we gebruiken om opdrachten eenvoudiger of moeilijker te maken noemen we translatieregels. 

Het zou handig zijn als voor elke opdracht snel en eenduidig aangegeven zou kunnen worden hoe deze meer of minder moeilijk gemaakt kan worden. Helaas is dat maar zelden het geval. Meestal wordt de moeilijkheidsgraad namelijk bepaald door een combinatie van een groot aantal factoren.  

Denkvaardigheden

De moeilijkheidsgraad van een opdracht wordt bijvoorbeeld bepaald door de denkvaardigheid waarop een beroep wordt gedaan. Opdrachten waarin alleen een beroep wordt gedaan op lagere denkvaardigheden (onthouden, begrijpen en toepassen) uit de taxonomie van Bloom (zie figuur 1) zijn bijvoorbeeld eenvoudiger dan opdrachten waarin een beroep wordt gedaan op hogere denkvaardigheden (analyseren, evalueren en creëren). Dit betekent echter niet dat een opdracht waarin een beroep op hogere denkvaardigheden wordt gedaan per definitie moeilijk is en daarmee ongeschikt zou zijn voor lagere niveaus of lagere leerjaren.

Kennisdimensies

Over het algemeen geldt dat opdrachten waarin niet alleen sprake is van feitelijke kennis, maar waarbij leerlingen om tot een goede oplossing te komen ook over conceptuele, procedurere en/of metacognitieve kennis moeten beschikken, moeilijker zijn dan opdrachten waarbij dat niet het geval is. Maar ook hier geldt dat je voor elk niveau en leerjaar opdrachten kunt ontwikkelen waarin al deze kennisdimensies aan bod komen.

hand1.png
Figuur 1: De (gereviseerde) taxonomie van Bloom.

Overige factoren

Bij overige factoren die de moeilijkheidsgraad beïnvloeden kan onderscheid gemaakt worden tussen factoren die te maken hebben met:

  1. de vraagstelling;
  2. de keuze van bronnen;
  3. de eisen die aan kennis worden gesteld;
  4. de eisen die aan historische vaardigheden worden gesteld. 

Op deze factoren heeft u als docent bij het maken van opdrachten invloed en u kunt daarmee de opdrachten meer of minder moeilijk maken. Maar er zijn ook factoren waarop u als docent geen invloed heeft. Deze factoren worden wel biasfactoren genoemd. Denk daarbij aan de algemene voorkennis van leerlingen (die van leerling tot leerling kan verschillen), de maatschappelijke en religieuze achtergrond van de leerlingen en de taalvaardigheid van de leerlingen. Hoewel u op deze factoren geen invloed heeft, is het wel belangrijk u er bij het maken van opdrachten van bewust te zijn dat ze van invloed kunnen zijn op de prestaties van leerlingen.

1 De vraagstelling 

De formulering van de vragen

Vragen kunnen een gesloten of open vorm hebben. Hoewel het simpele feit dat een vraag een gesloten vorm heeft niets zegt over de moeilijkheidsgraad van een vraag (er zijn moeilijke en makkelijk gesloten vragen), worden open vragen door de bank genomen als moeilijker ervaren. De reden ligt voor de hand. Zowel bij gesloten als open vragen kan een beroep worden gedaan op kennis en inzicht, maar bij open vragen wordt ook een beroep gedaan op redeneer- en argumentatievaardigheden. De score van leerlingen op een matchingvraag ging aanmerkelijk naar beneden toen hen werd gevraagd een toelichting te geven op hun keuzes.

De complexiteit van de vraagstelling

Een enkelvoudige vraagstelling is, in principe, eenvoudiger dan een meervoudige vraagstelling. Een onderzoek/opdracht waarin slechts één aspect aan de orde komt, is eenvoudiger dan een opdracht waarin de leerling met veel aspecten of veel factoren rekening moet houden.

Het taalgebruik in de opdracht

Het taalgebruik in de opdracht (technical task-setting vocabulary) kan van invloed zijn op de moeilijkheidsgraad van de opdracht. Het gaat dan vooral om het gebruik van vaktermen. Deze factor zal een minder grote rol gaan spelen naarmate leerlingen vaker met dit vakjargon worden geconfronteerd.

Wel of geen aanwijzingen

Hoe opener/algemener de opdracht is geformuleerd, des te moeilijker de opdracht. In de aanleerfase is het daarom belangrijk de leerling door de opdracht te leiden met aanwijzingen en eventueel te verwijzen naar stappenplannen of andere instrumenten (bijvoorbeeld over het analyseren van bronnen en spotprenten). In volgende opdrachten zal het aantal aanwijzingen/deelvragen afnemen, waarna de leerling ten slotte een opdracht zonder aanwijzingen/deelvragen moet kunnen maken.

Eisen aan het antwoord

Opdrachten waarin een kort antwoord wordt verwacht zijn eenvoudiger dan vragen waarop een uitgebreider antwoord wordt verwacht. Opdrachten waarbij een gelaagdheid in het antwoord wordt verwacht zijn moeilijker dan opdrachten waarbij dat niet het geval is.

Verwerkingsniveau

De moeilijkheidsgraad van een opdracht met een of meer bronnen is afhankelijk van wat een leerling met de bron moet doen. Moet hij informatie uit de bron beschrijven of een passage aanwijzen, moet hij de informatie in de bron structureren, dat wil zeggen anders weergeven dan deze wordt aangeboden of moet hij informatie beoordelen of vergelijken.

Abstractieniveau

Een opdracht wordt complexer als het onderwerp van de opdracht (en/of de bron) meer abstract is.  

Complexiteit van de opdracht: de vraagstelling
Omschrijving1234n.v.t.Omschrijving
Gesloten vraag     Open vraag
Eenvoudige vraagstelling     Complexe vraagstelling
Eenvoudig taalgebruik in de opdracht     Moeilijk taalgebruik in de opdracht
Gering beroep op (voor)kennis     Groot beroep op (voor)kennis
Concreet onderwerp     Abstract onderwerp
Informatie aan de bron(nen) ontlenen      (Informatie in) bronnen met elkaar vergelijken.
Veel aanwijzingen     Geen aanwijzingen
Kort antwoord      Lang antwoord
Antwoord zonder toelichting     Antwoord met toelichting/verklaring

 

2 De bronnen

De hoeveelheid bronnen

Meestal zullen opdrachten waarin leerlingen meer dan één bron moeten bestuderen moeilijker zijn. In opdrachten met verschillende bronnen kan van leerlingen bijvoorbeeld gevraagd worden bronnen met elkaar te vergelijken op verschillen en overeenkomsten. Men kan ook vragen welke bron het best een bepaalde uitspraak/opvatting ondersteunt of welke bron een voorbeeld van iets is.

De complexiteit van de bronnen

De moeilijkheidsgraad van een opdracht wordt beïnvloed door de moeilijkheidsgraad van de bronnen. De moeilijkheid van een bron wordt onder andere bepaald door:

  • taalgebruik: de bron wordt moeilijker naarmate deze meer weinig frequente woorden of archaïsche woorden bevat;
  • syntaxis: een bron met enkelvoudige, korte zinnen is eenvoudiger te begrijpen dan een bron met lange, ondergeschikte zinnen.
  • tekststructuur: de bron wordt moeilijker te begrijpen als de bron een moeilijk te doorgronden structuur heeft;
  • complexiteit van de inhoud: de bron wordt moeilijker te begrijpen naarmate de complexiteit van de informatie toeneemt;
  • hoeveelheid informatie: de bron wordt moeilijker te begrijpen naarmate de informatiedichtheid in een bron groter wordt;
  • tekstlengte: de lengte van een tekst kan van invloed zijn op de moeilijkheidsgraad, zeker in combinatie met eerder genoemde factoren.
Complexiteit van de opdracht: de bronnen
Omschrijving1234n.v.t.Omschrijving
Eén bron     Meerdere bronnen
Korte bron     Lange bron
Eenvoudige structuur van de bron     Complexe structuur van de bron
Weinig moeilijke (niet frequent gebruikte of archaïsche) woorden     Veel moeilijke (niet frequent gebruikte of archaïsche)woorden
Eenvoudige syntaxis     Complexe syntaxis
Weinig informatie per bron     Veel informatie per bron
Eenvoudige informatie     Complexe informatie

 

3 Historische kennis

Aanwezige voorkennis
Opdrachten worden moeilijker naarmate in de opdracht een groter beroep wordt gedaan op (voor)kennis. Dit geldt zeker als de leerling zelf moet bepalen welke kennis hij moet activeren om de opdracht te kunnen maken.

Informatie verwerven

Krijgt de leerlingen alle benodigde informatie aangereikt of moeten zij zelf op zoek naar informatie?

Complexiteit van de opdracht: (Voor)kennis
 
Omschrijving1234n.v.t.Omschrijving
Weinig (voor)kennis nodig     Veel (voor)kennis nodig
Leerling hoeft geen informatie te verzamelen     Leerling moet zelf op zoek naar relevante informatie

 

4 Historische vaardigheden 

Tijd

  • Tijd en chronologie
    De moeilijkheidsgraad van de opdracht  is afhankelijk van de eisen die worden gesteld met betrekking tot het omgaan met tijdsindelingen, periodisering en chronologie.
  • Oorzaak en gevolg
    De moeilijkheidsgraad van de opdracht is afhankelijk van de eisen die bij het verklaren van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen worden gesteld aan het kunnen gebruiken van het concept oorzaak-gevolg.
  • Continuïteit en verandering
    De moeilijkheidsgraad van de opdracht is afhankelijk van de eisen die bij het verklaren van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen worden gesteld aan het kunnen gebruiken van het concept continuïteit en verandering.

Interpretatie

  • Standplaatsgebondenheid
    De moeilijkheidsgraad van de opdracht is afhankelijk van de eisen die bij het verklaren van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen worden gesteld aan het kunnen gebruiken van het concept standplaatsgebondenheid.
  • Bron en vraagstelling
    De moeilijkheidsgraad van de opdracht is afhankelijk van de eisen die worden gesteld aan het verwerven en verwerken van informatie uit historische bronnen.

Betekenis nu 

  • Betekenis geven aan en oordelen over het verleden
    De moeilijkheidsgraad van de opdracht is afhankelijk van de eisen die worden gesteld aan het oordelen over het verleden en aan het betekenis geven aan het verleden voor het heden.

Complexiteit van de opdracht: historische vaardigheden
 
VaardigheidOmschrijving1234n.v.t.Omschrijving
Oorzaak en gevolgEén oorzaak of gevolg herkennen in een bron/bronnen     Meerdere oorzaken of gevolgen herkennen in een bron/bronnen
Geen onderscheid maken tussen aanleiding en oorzaak     Onderscheid maken tussen aanleiding en oorzaken
Continuïteit en veranderingEen verandering herkennen in een bron/bronnen     Herkennen wat veranderd is en wat gelijk gebleven is
StandplaatsgebondenheidHoudt geen rekening met geldende normen en waarden bij het verklaren van menselijk gedrag (denken en doen) in het verleden     Houdt rekening met geldende normen en waarden bij het verklaren van menselijk gedrag (denken en doen) in het verleden
Bron en vraagstellingGaat in op de betrouwbaarheid van een bron op basis van aangereikte criteria     Gebruikt zelfstandig verschillende criteria voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van een bron
Gaat niet in op de bruikbaarheid van informatie uit de bron/bronnen voor de vraagstelling     Weegt de bruikbaarheid van informatie uit de bron/bronnen voor de  vraagstelling
Houdt geen rekening met de representativiteit van de bron     Gaat, zonder aanwijzingen, in op de representativiteit van de bron
Maakt geen onderscheid tussen feit en mening     Maakt onderscheid tussen feit en mening