Sector
  • Vmbo bovenbouw
Vakgebied
  • Geschiedenis
Leerplankundig thema
  • Handreiking
  • Examenprogramma
  • Schoolexamen

Toetsen in het schoolexamen

3-7-2015

Leerdoelen

Toetsing is een belangrijk onderdeel van het leerplan, bedoeld om na te gaan in hoeverre de leerdoelen behaald zijn. De toetsing moet daarom aansluiten bij de leerdoelen. Maar terwijl de leerdoelen vaak aan het begin van een lessenreeks worden vastgesteld, worden toetsen vaak pas geconstrueerd aan het eind van de reeks. In het gunstigste geval heeft de docent datgene wat hij wil toetsen al in zijn hoofd tijdens het onderwijs. Voor leerlingen is het echter ook van belang dat zij vroegtijdig zicht krijgen op de vorm en inhoud van de schoolexamentoetsen, bijvoorbeeld door het gebruik van voorbeeldvragen.

Vraagvormen

In een goede toets worden naast kennis, begrip en inzicht ook historisch denken en redeneren (historische vaardigheden) getoetst.

Voor het toetsen van kennis, begrip en inzicht kunnen verschillende vraagvormen worden gebruikt:

  • meerkeuzevragen;
  • matchingvragen;
  • chronologie-vragen (waarbij leerlingen bij voorkeur via historisch redeneren tot een antwoord komen);
  • vragen waarin leerlingen een korte omschrijving van een begrip of gebeurtenis moeten geven en redeneervraagen (bij dit type vragen is het belangrijk dat leerlingen precies weten wat er van hen verwacht wordt);
  • invulvragen;
  • vragen over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van bronnen.

Om historisch denken en redeneren te toetsen worden meestal toetsitems gebruikt bij een of meer bronnen. Ook praktische opdrachten en mondelinge presentaties lenen zich goed voor het toetsen van deze vaardigheden.

Inleiding op een toets

Elke toets kan worden ingeleid met een aantal aanwijzingen en/of tips voor de leerlingen.

Voordat je begint:

  • De toets bestaat uit … vragen en je hebt … lesuur de tijd.
  • Lees de vragen zorgvuldig door. Heb je elk onderdeel van de vraag beantwoord?
  • Schrijf je antwoorden in goed Nederlands.
  • Gebruik geen woorden als iedereen, niemand, nooit, altijd, men. Deze zijn te absoluut of te vaag/onduidelijk.
  • Bij gebruik van woorden als ze, zij, hun, hen, het, hij, dat etc., moet je uitleggen wie of wat je daarmee bedoelt.
  • Bijschriften en toelichtingen zijn onderdeel van de bron.