Opgaveboekje

13-5-2015

​Situatieomschrijving en instructietaal

Schrijf instructies voor de leerlingen. Formuleer deze bondig en het liefst puntsgewijs. De instructies en situatiebeschrijving kunnen zowel in het Nederlands als in de doeltaal geschreven worden.

Als de doeltaal wordt gebruikt, houd dan het taalgebruik eenvoudig om te voorkomen dat het begrijpen van de opdracht een obstakel vormt.

Het gebruik van het Nederlands heeft als voordeel dat er geen vocabulaire wordt weggegeven. Het nadeel is dat het al gauw kan leiden tot vertaalopdrachten voor de leerlingen. Zorg er daarom voor dat er voldoende openheid is in de opdracht. In plaats van een opsomming van punten, kan ook gedacht worden aan visuele input: afbeeldingen, foto's, plattegronden enz.

Instructies voor de docent

Schrijf gedetailleerde instructies voor de gesprekspartner-docent.  Hiermee voorkomt u dat een onderdeel in de uitvoering van de opdracht wordt vergeten. Een nuttig hulpmiddel hierbij is een zogenaamd Interlocutor's framework: een voorbeelduitwerking van het gesprek. U kunt er meerdere alternatieven van vraagstelling en antwoorden in opnemen, onder andere op basis van de reacties van de leerling.

Een voorbeelduitwerking kunt u uiteraard ook maken voor de spreekvaardigheidsopdrachten.

Door het gebruik van een Interlocutor's framework bent u zeker dat:

  • u niets vergeet;
  • u dezelfde vragen aan alle leerlingen stelt;
  • u daardoor bij de beoordeling de prestaties van uw leerlingen makkelijker met elkaar kunt vergelijken.

Maak een opgaveboekje met alle opdrachten voor de leerling, waarin per opdracht de situatie en de instructies beschreven worden. De docent krijgt een identiek boekje, waarin de interlocutor's frameworks zijn toegevoegd.

Rechts op deze pagina kunt u enkele voorbeelden van opgaven downloaden.