Sector
  • Vwo bovenbouw
  • Havo bovenbouw
  • Gymnasium bovenbouw
Vakgebied
  • Biologie
Leerplankundig thema
  • Handreiking
  • Schoolexamen

Toetsen wat je wilt toetsen

9-7-2015

​​Validiteit

De overeenstemming tussen leerdoelen, toetsdoelen, toetsen, toetsopgaven, beoordeling, interpretatie en gebruik van de toetsresultaten wordt samengevat in de term validiteit.

Op basis van het schoolexamen wordt geconcludeerd of een leerling voldoende van (dit gedeelte van de) biologie afweet of niet. Dat gegeven wordt gebruikt bij de beslissing of een leerling geslaagd is. Om die beslissing verantwoord te kunnen nemen, moet een score wel valide zijn.

Validit​​eit heeft betrekking op:

  • representativiteit (een goede afspiegeling van de leerstof);
  • complexiteit (leerlingen kunnen laten zien wat ze met de leerstof kunnen);
  • interne structuur (de samenhang tussen [scores op] opgaven en [de score op] de hele toets);
  • externe structuur (de samenhang met [scores op] andere toetsen en beoordelingen).

​​​​Meer over validiteit vindt u in het vierde hoofdstuk van de online Cito-publicatie Toetsen op School.

Vijf stappen

In het tweede hoofdstuk van de genoemde publicatie beschrijven Erik Roelofs en Jacqueline Visser vijf stappen om tot een goede inhoud van toetsen te komen. Ze worden gekarakteriseerd door de volgende vijf vragen.

  1. Hoe wordt bepaald wat leerlingen aan het eind van een opleiding of opleidingsfase moeten kennen, kunnen en willen, oftewel hoe kom je tot een g​lobaal programma van einddoelen en tussendoelen?
    Deze stap is al gezet; de examenprogramma's beschrijven de eindtermen (te vinden op www.examenblad.nl).

  2. Hoe kom je van een globaal programma van einddoelen en tussendoelen tot toetsbare leerdoelen?
    Voor de CE-eindtermen is een specificatie gemaakt in syllabi (te vinden op www.examenblad.nl). Voor het SE-deel is deze ​handreiking geschreven.
    Maar die uitwerkingen zijn soms nog te globaal. Wat willen we nu precies dat leerlingen weten en kunnen? Om welke inhoud het gaat is vaak eerder duidelijk dan wat de leerlingen ermee moeten kunnen en welk gedrag er van hen verwacht wordt. Bij de formulering van leerdoelen is gekozen voor specifieke werkwoorden, de zogenaamde handelingswerkwoorden. Ze geven een indicatie van wat een leerling bij een toets moet laten zien.

  3. Hoe kun je toetsbare leerdoelen omzetten in toetstaken die het bedoelde gedrag oproepen bij de leerling?
    Hoe beter een toetsopgave past bij het leerdoel, hoe beter de kwaliteit van de uiteindelijke toets. Een scala aan leerdoelen vraagt vaak om een scala aan toetsopgaven, zowel eenvoudige reproductievragen als ingewikkelde taken waarin leerlingen hun competentie moeten laten zien. Dat vraagt om een zorgvuldige constructie en sele​ctie van toetsopgaven en een weloverwogen samenstelling van toetsen.
     
  4. Welke toetsvorm past het best bij de te toetsen leerdoelen?
    Als een scala aan leerdoelen een scala aan toetsopgaven vereist, kan dat meestal niet allemaal in één en dezelfde toetsvorm. Praktische vaardigheden laten zich moeilijk toetsen in een schriftelijke toets. En of een leerling de regel van Hardy-Weinberg beheerst, zie je niet goed in een praktische opdracht. Dat vraagt dus om een goede, voor het te toetsen doel geëigende toetsvormen.
     
  5. Hoe stel je een toets inhoudelijk correct en evenwichtig samen?
    Een goede toets is meer dan een verzameling opgaven. Een goede toets weerspiegelt evenwichtig de te toetsen inhouden en het te toetsen gedrag. Een toetsmatrijs is daarbij een nuttig hulpmiddel, zowel om bestaande toetsen te analyseren als om nieuwe samen te stellen.