Sector
  • Vwo bovenbouw
  • Havo bovenbouw
  • Gymnasium bovenbouw
Vakgebied
  • Biologie
Leerplankundig thema
  • Handreiking
  • Schoolexamen

Een toetsvorm kiezen

9-7-2015

​Relatie tussen toetsv​​orm en eindterm

In principe is voor alle eindtermen elk type toets voorstelbaar. Maar voor bepaalde leerdoelen, met name voor vaardigheden, komen sommige toetsvormen meer in aanmerking. In het schema is dat aangegeven. Voor veel vaardigheden geldt overigens dat ze juist in combinatie met kennis en inzicht hun biologische kant laten zien. Bijvoorbeeld 'waarderen en oordelen' bij seksualiteit en voortplanting of bij biotechnologie en 'beleven' bij ecologie.

Eindterm​VaardigheidSchriftelijke toetsPracticum­toetsPraktische opdrachtPoster & presentatie
A1Informatievaardigheden+ ++++
A2Communiceren+  ++
A3Reflecteren op leren  +++ 
A4Studie en beroep  ++++
A5Onderzoeksvaardigheden++++++++
A6Ontwerpvaardigheden++++++
A7Modelleren+++++ 
A8Natuurwetenschappelijk instrumentarium+++++ 
A9Waarderen en oordelen+ ++++
A10Beleven  ++++
A11-A14Denkvaardigheden++++++
A15(h)/A16(v)Kennis gebruiken in contexten++ +++++
A15(v)/A16(h)

Kennisontwikkeling en

-toepassing

+ +++
B1 t/m F4Kennis en inzicht++++++
 Houding* +++

*​​ Houding staat niet In de eindtermen, maar zou beschouwd kunnen worden als een van de 'andere vakonderdelen' die in het SE getoetst en beoordeeld mogen worden. Dan moet het gaan om biologiegerelateerde houdingen, zoals een onderzoekende, wetenschappelijke houding of een houding van respect voor de levende natuur. In verschillende toetsvormen kan daarover informatie vergaard worden.​

Kenmerken toetst​aken

Misschien meer nog dan de toetsvorm is de keus voor bepaalde toetstaken bepalend of de toets goed bij de leerdoelen past. Daarbij zijn de volgende kenmerken van toetstaken relevant (bron: Toetsen op school, hoofdstuk 2​, par. 2.3 en 2.4):

  • Authenticiteit van de taak, zoals:
    • een (bijna) echte werk- of leefsituatie;
    • een gesimuleerde situatie;
    • een 'hands-off'-situatie (beschrijving, filmpje, e.d.);
    • een formele situatie (los van context).
  • Prestatiecondities/randvoorwaarden, zoals:
    • omgeving;
    • tijd;
    • hulpmiddelen.​
  • Soorten stimuli, hoe de opdracht wordt aangeboden, zoals:
    • tekst;
    • schema;
    • foto;
    • film.
  • Structurering, wat moet of mag de kandidaat zelf bepalen, zoals:
    • probleemstelling, aanpak van de taak;
    • mogelijke alternatieve werkwijzen/oplossingen;
    • gebruik van materialen, gereedschappen en hulpmiddelen.
  • Gevraagde respons, zoals:
    • keuzes uit alternatieven;
    • korte dan wel lange geschreven antwoorden;
    • een verslag;
    • een presentatie;
    • of nog wat anders.
  • Gevolgen van de taakuitvoering, zoals:
    • mondelinge of schriftelijke feedback op leerproces;
    • beoordeling/becijfering voor overgang of examenbeslissing.
In onderstaand schem​​a is voor verschillende toetsvormen aangegeven welke kenmerken de toetstaken daarin meestal hebben. Uiteraard is dit geen wet van meden en perzen.
 
Kenmerk toetstakenSchriftelijke toetsPracticumtoetsPraktische opdrachtPoster & presentatie
Authenticiteitformeel of hands-offformeel of hands-offformeel, hands-off of gesimuleerdformeel, hands-off of gesimuleerd
Conditiesuren, met of zonder hulpmiddelenuren, met practicum­materialenweken of maanden, met bronnenuren of weken, met computer en/of poster­materiaal
Stimuliteksten, schema's en/of foto'steksten, schema's en/of foto'steksttekst

Structurering

 

sterksterkmatig of zwakvariabel
Responskorte en/of lange geschreven antwoordenkorte en/of lange geschreven antwoorden, tekeningen, concreet materiaal (bijv. preparaat) of verslag verslag, ontwerp en/of modelposter met tekst en afbeeldingen en/of presentatie met (audio)visuele ondersteuning, bijv. dia's​