Sector
  • Vmbo
Vakgebied
  • Beeldende vorming vmbo
Leerplankundig thema
  • Toetsing en examens

BV/K/4 Beeldend werk, productief

19-9-2017

De kandidaat kan naar aanleiding van een probleemstelling – autonoom en toegepast – beeldend werk maken.

Deze exameneenheid moet getoetst worden in een schoolexamen. In de regel zal deze eindterm niet als zelfstandige leerstof worden aangeboden. De inhoud van deze eindterm maakt als vanzelfsprekend deel uit van een grotere opdracht of toets waarbij ook andere eindtermen getoetst worden.

Hierbij gaat het om beeldend werk dat een leerling moet kunnen maken naar aanleiding van een ruim gestelde probleemstelling. De probleemstelling kan betrekking hebben op autonome en op toegepaste vormgeving en wordt uitgevoerd binnen een van de volgende vakrichtingen: tekenen, handenarbeid, textiele werkvormen of audiovisuele vormgeving.

Voorbeeldactiviteiten

Kop en schotel

Een les waar de functionaliteit en de disfunctionaliteit van een gebruiksvoorwerp centraal staat. Hierbij ontwerpen leerlingen een functioneel kopje en doen onderzoek naar de functionele kant van een kop en schotel. Vervolgens wordt het kunstwerk "Fur covered cup" uit 1936 van Meret Oppenheim besproken, waarop leerlingen hun eigen, ontworpen kop en schotel zo gaan veranderen dat het een vervreemdende uitwerking op de toeschouwer krijgt. Deze opdracht kan zowel op twee- als op driedimensionale wijze worden uitgevoerd.

Hoofddeksel

Leerlingen onderzoeken hoofddeksels. Dit kunnen zowel functionele hoofddeksels zijn (helmen, bakkersmutsen, hoofddoeken, enz.) als decoratieve hoofddeksels (denk daarbij aan de hoedjes tijdens Prinsjesdag). Vervolgens ontwerpen ze een modieus, maar functioneel hoofddeksel, waarbij ook aandacht is voor de decoratieve kant van het hoofddeksel. Binnen deze opdracht wordt ook de humor binnen de kunst nader bekeken.

Vleugellam op aarde

Met deze poëtische titel als uitgangspunt onderzoeken leerlingen het principe van vliegen. Ze bekijken hoe vliegtuigen en vogels kunnen vliegen. Hierbij gaat het vooral om de vormprincipes van vliegen. Ook maken ze kennis met het werk van Panamarenko, Joost Conijn en Leonardo da Vinci. Vanuit deze informatie ontwerpen ze een driedimensionaal werkstuk met daarin de principes van het vliegen, maar dan wel zonder motorische aandrijving. De objecten lijken zo te kunnen gaan vliegen echter, ze blijven vleugellam op aarde.

Het blijkt dat leerlingen extra gemotiveerd worden als leerlingen keuzemogelijkheden hebben, de opdracht aansluit bij hun eigen leefwereld en in een betekenisvolle context staat. Dit kan bijvoorbeeld door meerdere opdrachten te ontwikkelen en (externe) opdrachtgevers te zoeken.

Terug naar Toetsen in het schoolexamen