Vakgebied
  • Bedrijfseconomie
Leerplankundig thema
  • Handreiking
  • Examenprogramma
  • Schoolexamen

Domein A Vaardigheden

10-10-2017

Hieronder staat domein A gespecificeerd. Deze onderdelen zijn opgenomen in het diverse voorbeeldmateriaal bij de domeinen C1, D1, E1 en E3 en H. In het voorbeeldmateriaal staat elke keer aangegeven wat van domein A nadrukkelijk aanwezig is.

​​​​Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

De kandidaat kan in dat verband:

a) in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag informatie beoordelen en daarbij:

  • de informatiebehoefte noemen;
  • beschikbare en relevante informatiebronnen analyseren.

b) verworven en/of gegeven informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks)vraag analyseren en daarbij:

  • informatie beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit;
  • informatie analyseren (eventueel rekenkundig), mede met behulp van ICT (zoals Excel en games).

Subdomein A2: Communiceren

De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

Subdomein A3: Reflecteren op leren

De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

Subdomein A4: Studie en beroep

De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt  gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

Voorbeeldmodule: Fiscale en vennootschappelijke winst - werk voor de accountant, de fiscalist of voor een fiscale rekenrobot? 'computational thinking en de financieel specialist' (domein H)

Subdomein A5: Onderzoeken

De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen analyseren en adviseren op basis van de onderzoeksresultaten. Hij maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

De kandidaat kan in dat verband:

a) verschillende typen (onderzoeks)vragen noemen en zelfstandig (onderzoeks)vragen opstellen en daarbij onderscheid maken tussen:

  • beschrijvende/beeldvormende (onderzoeks)vragen;
  • analytisch/verklarende (onderzoeks)vragen;
  • (onderzoeks)vragen met het oog op waardering/standpuntbepaling.

b) op basis van consistente redeneringen:

  • ​conclusies opstellen ten aanzien van een (onderzoeks)vraag en deze uitleggen;
  • een advies uitbrengen en dit uitleggen en daarbij onderscheid maken tussen gegevens (data) en informatie, feiten en meningen, oorzaak en gevolg, probleem en oplossing;
  • in het geding zijnde waarden noemen;
  • eigen waarden en opvattingen analyseren met die van anderen;
  • mogelijke consequenties van een standpunt beoordelen;
  • een beargumenteerd standpunt opstellen.

c) Berekeningen maken met behulp van relevante rekenkundige en grafische vaardigheden, rekening houdend met verbale, grafische, tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens analyseren, mede gebruikmakend van ICT zoals Excel en games.

d) basisrekenvaardigheden in bedrijfseconomische vraagstukken zoals :

  • rekenregels optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen;
  • positieve en negatieve getallen/breuken/decimalen;
  • procenten, promilles en percentages;
  • onderscheid procentuele mutatie en procentpunt verandering.

e) vergelijkingen, beschrijvende statistiek en grafieken in bedrijfseconomische vraagstukken zoals:

  • werken met eerstegraadsvergelijkingen;
  • werken met assenstelsels (X en Y);
  • waardes bepalen en grafieken tekenen en/of bewerken;
  • berekeningen maken op basis van grafieken;
  • indexcijfers;
  • diagrammen;
  • tabellen: rijen/kolommen;
  • machten;
  • gemiddeldes: gewogen en ongewogen.

​​Subdomein A6: Benaderingswijzen

De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem noemen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze opstellen.

De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

  • de interne organisatie en personeelsbeleid
    • de investeringen en financiering;
    • het marketingbeleid;
    • het financieel beleid;
    • de verslaggeving.

De kandidaat kan de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management analyseren en beoordelen.

​De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen noemen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

De kandidaat kan in dat verband:

  • bedrijfseconomische perspectieven noemen die de diverse betrokkenen bij de organisatie kunnen hebben;
  • bedrijfseconomische belangen noemen die uit de verschillende perspectieven kunnen voortvloeien.

De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.

De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

  • de interne organisatie en personeelsbeleid;
  • de investeringen en financiering;
  • het marketingbeleid;
  • het financieel beheer;
  • de verslaggeving.

De kandidaat kan de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.

De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

 De kandidaat kan:

  • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;
  • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;
  • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;
  • bedrijfseconomische relaties analyseren.

​