Sector
  • Vmbo bovenbouw
Vakgebied
  • Aardrijkskunde
Leerplankundig thema
  • Schoolexamen
  • Handreiking
  • PTA
  • Kwaliteitsborging schoolexamens

Uitgangspunten toegelicht

26-1-2018

De uitgangspunten voor het examenprogramma behoren tot de tradities in de schoolaardrijkskunde.

1. De leerlingen krijgen inzicht in de relatie mens - natuur.

De relatie mens - natuur is een van de oudste tradities in de geografie en de schoolaardrijkskunde. In een tijd waarin vraagstukken rond klimaat, water, energie en voedsel tot de belangrijkste kwesties voor de toekomst worden gerekend, is de mens - milieubenadering actueler dan ooit. In de uitwerking van deze vraagstukken komen sociale en fysische aardrijkskunde steeds geïntegreerd aan de orde. Bijbehorende kernconcepten zijn duurzaamheid en leefbaarheid. Ook de spanningen tussen beide kernconcepten en daaruit voortvloeiende dilemma’s komen aan bod.

2. De leerlingen ontwikkelen een wereldbeeld.

In de huidige tijd zijn afstanden alsmaar kleiner geworden door ontwikkelingen als globalisering en het internet en zijn gebieden steeds meer met elkaar verknoopt. Voor leerlingen is dit complex. Het is dan ook belangrijk dat leerlingen een basaal wereldbeeld hebben om de ontwikkelingen enigszins te kunnen duiden.
Om meer structuur te geven aan de complexe wereld komen dezelfde thema’s telkens op verschillende schaalniveaus aan de orde:

  • te beginnen met de eigen leefomgeving,
  • dan op het niveau van Nederland (soms in vergelijking met een ander Europees land) en
  • vervolgens in een macro-regio elders in de wereld (soms ook in vergelijking met een contrasterende macro-regio).

Het wereldbeeld blijft met een beperkt aantal toepassingsregio’s onvolledig, maar door de spreiding van de gekozen landen en gebieden over de wereld en de continenten zijn ze exemplarisch voor een groter gebied.

3. De leerlingen leren aardrijkskundig denken.

In het vmbo worden de vakvaardigheden vaak impliciet gebruikt in de veronderstelling dat ze te ingewikkeld zijn. Daarmee wordt de leerstof echter gereduceerd tot veel feitenkennis waarin leerlingen moeilijk de samenhang zien en die daarom moeilijk te leren valt. De vakvaardigheden kunnen dan structuur en steun bieden. De docent kan de vakvaardigheden regelmatig expliciet voordoen en van leerlingen vragen om ze regelmatig expliciet toe te passen.
De wereld verandert constant en de contextkennis van vandaag is morgen al deels achterhaald. Ook daarom is het belangrijk om regelmatig de vakvaardigheden expliciet aan de orde te stellen. Dan leren leerlingen vakprocedures die steeds weer in andere contexten kunnen worden toegepast. Zo wordt hun kennis bestendig en wendbaar.
Er worden voortdurend gebieden met elkaar vergeleken en er wordt per thema steeds uitgezoomd van de eigen regio naar het nationale en vervolgens het mondiale niveau.

4. Leerlingen worden zich bewust van maatschappelijke verantwoordelijkheden en de keuzen die ze daarin hebben.

In het programma komen een aantal maatschappelijke vraagstukken aan de orde die om een standpunt vragen. Niet-hernieuwbare grondstoffen, bijvoorbeeld, kun je maar een keer gebruiken. Dat betekent dat ze niet beschikbaar zijn voor anderen, noch in de toekomst beschikbaar zijn.
Allerlei menselijke activiteiten kunnen verreikende gevolgen hebben, niet alleen in de directe omgeving, maar ook elders in de wereld. Ruimte kun je niet onbeperkt gebruiken. We zijn verantwoordelijk voor ons handelen en onze keuzen kunnen morele kwesties zijn. Hier spelen ook aspecten van (wereld)burgerschap een belangrijke rol.